donderdag 11 juni 2009

Moderne parabel

Hij zag hem
Kijk mij aan
Zie mij staan
zie mij liggen
aan de rand van de weg
waarop jij veilig meestroomt met de menigte
Houd halt en kijk mij aan.

Dit is wat ik zie:
voeten, schoenen, schenen, benen
die wijken in een flauwe boog om mij
als mieren die een obstakel vinden op hun weg
en daarna hun naarstige tocht verder zetten.

Ik ben een steen in de voeten-stroom.

Dit is wat ik zie:
de ogen van een kind, niet die van de moeder,
zij grijpt het stevig bij de hand
de ogen van een hond, niet die van het baasje
hij geeft een korte ruk aan de leiband.

Dit is wat ik zie:
jouw blik

en was ten diepste met hem begaan
De rovers zijn in mijn leven gekomen
en lieten mij achter
aan de rand van de weg.

Met z'n drieën waren ze
een goed georganiseerde bende
en krachtig
ik kon er niet tegen op.

De eerste zijn naam was Scheiding
Hij plantte zijn knie in mijn maag
en ik plooide dubbel.

Toen haalde Ontslag uit
heel snel en heel gemeen
een gapende wonde in mijn gezicht.

Verslaving mocht de klus afmaken
trefzeker trapte hij op mij in
ik snakte naar adem
maar hij liet niet af.

Ik denk:
ooit was ik iemand anders.
Ik denk:
hoe is het mogelijk dat ik ze niet heb zien komen.
Ik denk:
wellicht is het mijn eigen schuld.

En jij die me aankeek
lees in mijn blik:
denk niet dat je sterk bent
misschien hebben ze jou morgen te pakken.

Je bent niet anders dan ik.

Als dit niet de bron van je meevoelen is,
hoef ik het niet.


hij ging naar hem toe

Een voet die zich loswrikt uit de stroom
een voet die zich niet stoot aan de steen
zet de eerste stap.

En heel de stad die tot stilstand komt
Ik hoor hoe alle geluid verstomt
de schuifelstroom naar de achtergrond.

Een kleine stap voor een mens
En een enorme stap over de grens
die de voetenmassa trok.

Je bent op mijn terrein.
Wat nu?

goot olie en wijn op zijn wonden
Je was hier kwalijk op voorzien
hoe kan een voorbijganger mijn wonden helen?
Maar wat je meedraagt in je tas
volstaat.

De grote plannen, de grote acties
de visies, de structuren
het beleid
ze zijn nodig, zeer zeker.

Maar een mens die een stap zet
door zijn knieën gaat
mij aankijkt
en tevoorschijn haalt
wat hij meedraagt in zijn hart
die niet veroordeelt maar verzorgt,
zich buigt over de wonden die de zijne hadden kunnen zijn
geeft mij de smaak van het leven terug.

Ik proef niet langer de smaak van bloed in mijn mond
Wat ik proef
smaakt als balsem op mijn hoofd.

Toen zette hij hem op zijn eigen rijdier
Lopen gaat mijn krachten nog te boven.
Maar ik sta.
Je trok me recht.
Met een blik, met een woord, met een foto.

Langzaam maken wij ons los
uit de rand.
Ik grijp je hand
wij zijn verwant.

En ik voel:
dit is een nieuw begin
zo wordt alles nieuw
en het begon
toen jij me aankeek

(deze tekst komt uit een fotoboek over kansarmoede (De mens die ik ben/Leven aan de rand van de samenleving, een boek van Stef Renodeyn) en is een moderne parabel, geschreven door Dirk Van der Goten).

Geen opmerkingen: